Heeft een appel gevoel?

Sinds Robbert Dijkgraaf het in een NRC-column over een appel had, voel ik me ongemakkelijk bij het snijden van dit fruit. De appel heeft een vijfzijdige bouw, leerde ik van Dijkgraaf. Het is dus niet zo logisch om de appel in vieren te snijden. Dat doe ik wel. Het is alsof ik de vernuftigheid van de appel tekort doe als ik dwars door zijn vijfvoudige constructie heen hak. Ik word overigens onmiddellijk gestraft met onregelmatige stukjes klokhuis, die lastig uit de vier parten te snijden zijn. Die straf is misschien terecht, maar is mijn schuldgevoel dat ook?

Personificatie

Dichters fantaseren graag dat dingen een eigen wil hebben, of een ziel, of een stem, of andere menselijke eigenschappen. Het is zelfs een officiele stijlfiguur: personificatie.

Appelgroen

Hoor! Van de grond roept een appel.
Wil zij geraapt? En of – in taart te eindigen
is mooi voor fruit. Mij zelf maakt het niet uit
of ik als taart dan wel verrot in ‘t natte gras.
Alleen dat ik dat was, die gave jonge blos
zo kogelrond, vol sap – en dan het steeltje los.

Marjoleine de Vos, Uitzicht genoeg (2013)

Dichters gebruiken deze stijlfiguur meestal om iets te zeggen over mensen. Appels hebben geen wensen en geen gevoel, en je kunt ze niet kwetsen, al zijn er filosofen geweest die beweerden van wel.

Dieren lijken op mensen

Bij dieren ligt dat anders. Gewervelde dieren lijken veel op mensen. Zeker zoogdieren, waar we tenslotte bij horen, maar ook vogels, vissen, reptielen en amfibieen hebben een lichaam dat pijn kan ervaren. Maar betekent dat dat we in onze ethiek ook rekening met ze moeten houden?

Volgens heel veel ethici wel. De redenering van een utilist, bijvoorbeeld, kom hierop neer, vrij samengevat.

  1. Wat kunnen wij filosofisch weten over elkaar? Weinig tot niets. Wel weten we wat we zelf ervaren: warmte, angst, smaak, pijn, honger, geluk, seks, etc.
  2. Op grond van wat we ervaren hebben we wensen: een warme en droge plek om te leven, voedsel, drinken, een prettige omgang met anderen, geen pijn, geen angst… etc. Kortom: welzijn.
  3. In de omgang met anderen die hetzelfde kunnen ervaren merken we dat hun welzijn sterk overeenkomt met het onze, al zijn er verschillen. De een wil kitesurfen, de ander breien.
  4. Ook dieren zoeken welzijn. Een kat gaat in de zon zitten. Een hond wil op stap. Hun ervaringen en wensen liggen dicht bij de onze, al zijn er opnieuw verschillen, tussen diersoorten en tussen dieren. Een varken wil geen dansles, en een mens wil geen modderbad, meestal. Het ene paard wil op een frisse winterdag naar buiten, het andere blijft liever binnen, heb ik geleerd van Ankie van Grunsven.
  5. Als je bedenkt dat in al die wezens een ‘ik’ zit die welzijn kan ervaren, is het dus het beste om al die ‘ikken’ zoveel mogelijk welzijn te geven. Ook dieren.

Het is schrikbarend eenvoudig. En dan te bedenken dat we dieren overal ter wereld, in enorme aantallen, een rotleven geven. Brrr. Behalve dan misschien de kiwi, die vogel die niet kan vliegen, maar lekker rondscharrelt in de Nieuw-Zeelandse bush. Met een goed gevoel.

Heb jij manieren of maniertjes?

Facebook is een heerlijke bron van denkstof voor een ethicus. Zo circuleert er een YouTube-filmpje waarin een klein meisje uit de VS president Obama mag bevragen, omdat ze zo veel afweet van de Amerikaanse presidenten. En natuurlijk mag ze vragen stellen. Het is één en al lieve gezelligheid. Het meisje is aandoenlijk, Obama is geweldig.

Eng

Ik kijk en sta perplex. Telkens als de gespreksleidster zegt dat ze nog een vraag mag stellen, vouwt het meisje heel koket haar verstrengelde handen rond haar knie. Een gebaar waarmee een volwassene laat zien er lekker ontspannen bij te zitten. Ze doet dit niet één keer, maar drie keer. En zo mechanisch dat het eng is.

Bij de gedachte aan het woord eng begint bij mij de zelfreflectie. Hoezo eng? Wat is er eng aan een maniertje? Ik ben toch heel erg voor manieren, goede manieren? Is dit dan een slechte manier? Niemand heeft er toch last van?

Oprecht gedrag

Ik denk dat ik inmiddels weet hoe het zit. Er is een groot verschil tussen manieren en maniertjes.

Manieren zijn sociale codes om de onderlinge omgang beter te laten verlopen. Dingen waarvan we binnen een cultuur besluiten dat ze ander storen (smakken, schreeuwen, winden laten) laten we achterwege. Dingen waarvan we denken dat ze prettig zijn voor anderen (groeten, helpen, glimlachen) waarderen we positief. Daarbij gaan we ervan uit dat het vertonen van dat gedrag oprecht is, en dat er geen tegengestelde behoefte onder ligt, bijvoorbeeld om de ander uit te schelden.

Behagen

Je kun je afvragen hoe oprecht maniertjes zijn. Ze zijn aangeleerd, niet als smeermiddel voor sociale omgang, maar om een bepaald effect te sorteren. Er kan van alles onder liggen wat er niets mee te maken heeft, of zelfs tegengesteld is.

In dit geval is het maniertje ongetwijfeld aangeleerd door de ouders. Om te behagen, indruk te maken, vertedering op te wekken. Maniertjes onderstrepen je persoonlijkheid niet, maar vlakken die af. Ik geef toe, er zijn ergere dingen in de wereld. Maar een beetje eng blijft het.

Grote bedrijven uiten zich weinig diervriendelijk

’s Werelds grootste bedrijven tonen weinig verantwoordelijkheid voor dierenwelzijn. Dat is de tragische conclusie van het onderzoek dat ik deed samen met Muel Kaptein aan RSM Erasmus Universiteit Rotterdam. Minder dan de helft van de ‘Fortune Global 200’ hebben op hun website iets staan over verantwoordelijkheid voor dieren.

Hoewel alle grote bedrijven veel invloed hebben op dieren, tonen ze in dit opzicht weinig verantwoordelijkheid. 53% van de 200 grootste bedrijven ter wereld schrijven op hun website niets over verantwoordelijkheid voor dieren. Gezien de omvang van hun websites, geeft dit een indruk van hun communicatie over het onderwerp en het belang dat ze eraan hechten.

De meest verantwoordelijke bedrijven

De bedrijven die in hun communicatie de meeste verantwoordelijkheid voor dieren tonen zijn Bayer, Unilever, Nestlé, Royal Bank of Scotland Group, Tesco en Procter & Gamble. Bedrijven die dierlijke producten verhandelen of zelf dieren houden tonen meer verantwoordelijkheid voor dieren dan andere bedrijven. Maar er zijn ook uitzonderingen. Enkele bedrijven die dierlijke etenswaren verkopen, lijken het publieke debat over de omgang met dieren in de vee-industrie totaal te negeren, en geven geen enkel teken van verantwoordelijkheidsgevoel.

Anderzijds zijn er ook bedrijven die vanuit een onverwacht gezichtspunt verantwoordelijkheid tonen. Royal Bank of Scotland, bijvoorbeeld, schrijft in het kader van huisdierverzekeringen uitgebreid over goede zorg voor huisdieren. StateFarm stelt dierenwelzijnseisen aan bedrijfsuitjes naar dierentuinen en circussen. USPS doet geen zaken met klanten die dieren misbruiken voor vermaak.

Gemiste kans

Het viel ons op dat bedrijven die zich wel uitspreken over hun verantwoordelijkheid voor dieren dit vaak doen in relatief onbelangrijke webdocumenten, zoals blogs, projectbeschrijvingen en nieuwsberichten, en niet in belangrijkere documenten als gedragscodes, beleidsdocumenten en jaarverslagen. Een gemiste kans! Als je verantwoordelijkheid neemt voor de impact die je als bedrijf hebt op dieren, en je kiest ervoor om daarover te communiceren, waarom zou je er dan niet heel duidelijk over zijn, en erover schrijven in je MVO-rapport? Dat zou het bedrijf transparanter en meer accountable maken als het gaat om dierenwelzijn.

Lessen voor bedrijven

Als onderzoekers zijn wij van mening dat meer bedrijven zouden moeten erkennen dat dierethiek bij maatschappelijk verantwoord ondernemen hoort. We raden alle bedrijven dan ook aan om goed stil te staan bij hun verantwoordelijkheden voor dieren. Dit kan met behulp van de techniek die we in ons onderzoek presenteren, de Commitment to Animals-score (CAN score). Als je in je communicatie opneemt waar je als bedrijf voor staat, en wat je bereikt op het gebied van dierenwelzijn, zal dat een stimulans zijn voor iedereen binnen het bedrijf om ook echt verantwoordelijkheid voor dieren te nemen. Zo kun je je als bedrijf ook in dat opzicht verantwoorden. En daarnaast is het natuurlijk beter voor de dieren.

Dit bericht verscheen in het Engels op de website van de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Het volldige onderzoeksverslag is te vinden op het Social Science Research Network onder de titel: ‘The Ethical Responsibility of Companies toward Animals: A Study of the Fortune Global 200’.

Terug naar de natuur of ‘technofix’? Dag van de Milieufilosofie

World Earth Day, 22 april, werd door het Ethiek Instituut van de Universiteit Utrecht en de Nederlandse Onderzoeksschool Wijsbegeerte ingevuld als Dag van de Milieufilosofie. Filosofen, biologen, ecologen en vele anderen kwamen bij elkaar om actuele onderwerpen te bespreken, waaronder de vraag of de ‘technofix’, de technologische oplossing, het antwoord is op de grote milieuvragen.

Ondanks de actuele vraagstelling boden veel sprekers allereerst een historisch perspectief. Jozef Keulartz schokte de zaal met illustraties bij zijn verhaal over Rachel Carson, die zich na de Tweede Wereldoorlog fel verzette tegen het gebruik van DDT. Kinderhoofdjes verdwenen in een wolk van DDT – tegen de luizen? Een vrouw kreeg een flinke dosis op haar geslachtsstreek gespoten – ook tegen luizen? Ontwikkelingswerkers in Afrika bespoten demonstratief een bordje pap en aten dat op, ten overstaan van stammen die overtuigd moesten worden van de veiligheid van het spul. Met talloze voorbeelden betoogde Keulartz dat de strijd tussen de gelovigen van de vooruitgang en de critici van alle tijden is. Het onderscheid dat hij wilde maken tussen ‘ingenieurs’, die iets voor ogen hebben en dat vervolgens creëren, en ‘bricoleurs’ (knutselaars) die kijken wat ze kunnen maken van de materialen die er al zijn, leek echter mank te gaan. Ook in de biotechnologie zou je immers kunnen stellen dat men knutselt met (kleine) elementen die er al zijn. Hij legt echter de vinger op de zere plek als hij stelt dat er naar die onderzoeksdiscipline aanzienlijk meer geld gaat dan naar agro-ecologie.

Met rust laten.

Uit de geschiedenis van de relatie tussen mens en wolf, die historisch ecoloog Rob Lenders schetste, werd duidelijk dat Germaanse namen als Adolf en Wolfgang stammen uit de prechristelijke tijd, en alles te maken hebben met troepen rovende mannelijke adolescenten, die vergeleken werden met roedels wolven. Met de kerstening werden zij, en de wolf met hen, symbool van het slechte en ongeciviliseerde, de personificatie van de duivel. Wanneer men in de middeleeuwen een wolf doodde, werd die in mensenkleren aan de galg gehangen. Zo rekende men af met het kwaad.

Al deze verrukkelijke weetjes geven echter nog geen handvatten voor onze huidige of toekomstige omgang met milieu, natuur en dieren. Frans Vera probeerde die te geven wat betreft de grauwe gans, die de Oostvaardersplassen heeft ontdekt als perfect gebied om de gevaarlijke periode van rui uit te zitten. Zelfs natuurbeschermers zien de duizenden ganzen als een verstoring, in plaats van een element dat de natuur completeert. Met rust laten, is Vera’s credo, een positie die hij eerder ten opzichte van de grote grazers innam. Sjaak Swart, bioloog-ethicus, plaatst daar een kritische kanttekening bij. Want waar eindigt wildheid en heb je het over (licht) gedomesticeerde dieren? En hoe zit het met het welzijn? En de zorgplicht? Hij haalde Sue Donaldson en Will Kymlicka aan. Zij beschouwen dieren die de menselijke samenleving betreden als immigranten met bepaalde basisrechten.

Feit en fictie

Interessant voor wie zich bezighoudt met communicatie over natuur en milieu is het onderscheid dat Martin Drenthen maakt tussen de rationele benadering, ofwel presentatie van de feiten (wolven zijn schuw en maken zelden slachtoffers, in tegenstelling tot honden), en de symbolische benadering (de wolf als symbool van wildheid, als bezoeker uit een wereld die zich aan onze controle onttrekt). Juist waar Drenthen een onderscheid maakt, ligt een kans voor natuurvoorlichting: combineer de nuchtere feiten met spannende verhalen, maar wees tegelijk duidelijk over wat feit is en wat fictie. Een niet onbelangrijk voorbeeld van zo’n feit is volgens ecoloog Erwin van Maanen overigens dat de biodiversiteit in een groot natuurgebied baat heeft bij de wolf als toppredator. Het is aangetoond in de Verenigde Staten.

Technofix

Maar moeten we nu terug naar de natuur, soberder leven, met minder technologie, of moeten we juist technologische oplossingen zoeken voor een milieuvraagstuk als klimaatverandering? Natuurkundige Kornelis Blok pleitte provocerend voor grootschalige, technologische oplossingen, ‘omdat de meeste mensen nu eenmaal liever zonnepanelen kopen dan dat ze de helft van hun apparatuur de deur uit doen’. Het kwam hem op felle reacties te staan van de toch overwegend romantische ingestelde milieucongresbezoeker, voor wie soberheid en kleinschaligheid waarden op zich zijn. Daarbij vergeten zij misschien wel eens dat slimme, efficiënte oplossingen voor dagelijkse tijdvreters juist de tijd opleveren die kan worden besteden aan zaken van waarde: lezen, met de kinderen spelen, voor onze ouders zorgen, een maaltijd bereiden voor gasten. Wie wil er terug naar de tijd dat de huisvrouw de hele week bezig was met tuinieren, wecken, koken, naaien, sokken stoppen en lakens wassen op een wasbord? En moeten we niet blij zijn met kweekvlees, zoals bioloog-filosoof Cor van der Weele opmerkt, dat een einde kan maken aan de lijdensweg van het productiedier? Die technologische oplossing heeft in elk geval meer kans van slagen dan wachten tot iedereen vegetariër wordt.

Slimme uitvindingen

We hebben natuur nodig, als punt van rust, als symbool van waar we vandaan komen, als een plek waar we andere levende organismen ontmoeten en leren kennen. Maar tegelijk zijn we natuur, en wel een aftakking van de evolutie die een aantal slimme uitvindingen kan doen. We zouden onszelf én de natuur tekort doen als we dat vermogen braak lieten liggen uit angst om de relatie tussen mens en natuur te verbreken. Daartoe zullen we de romantische idee dat natuur goed is en techniek slecht moeten zien te overwinnen. De milieufilosofie staat daar open voor, maar haar publiek lijkt er nog nauwelijks aan toe.

Hoe kun je beter opkomen voor je ethische standpunten?

Ethiek staat constant in de schijnwerpers. Niet zo vreemd, want ethiek leidt tot vertrouwen. Als we erop kunnen vertrouwen dat anderen ethisch zullen handelen, komen we in een positieve spiraal. Of dat nu gaat om de economie of andere aspecten van de samenleving.

Doping

Meestal weten mensen wel wat het goede is om te doen en doen ze dat ook. Soms worden ze ervan weerhouden door allerlei omstandigheden, zoals groepsdruk of verwachtingen van anderen. Denk maar aan Lance Armstrong en in Nederland Michael Boogerd in de dopingaffaire.

Giving Voice to Values

Hoe zou je nu als individu beter op kunnen komen voor je ethische standpunt? Mary C. Gentile, onderzoeker aan Harvard Business School ontwikkelde hier een methode voor: om in het werk beter op te kunnen komen voor je eigen ethische waarden: Giving Voice to Values.

Storytelling

Heel in het kort komt de methode hierop neer. Je vormt een werkgroep. Elk lid van de groep vertelt twee persoonlijke verhalen (er wordt dan gebruik gemaakt van storytelling): één ervaring met een situatie waarin je opkwam voor je eigen ethische waarden, en één ervaring met een situatie waarin je het erbij liet zitten.

Checklist

Dan gaat die persoon na waarom het de ene keer zus liep en de andere keer zo. Wat waren de verschillen? Wat motiveerde je om die ene keer wel iets aan de situatie te doen? Voelde je je sterker in je schoenen staan? Had het idee dat je medestanders had? Door de verschillen met behulp van een checklist te analyseren en te benoemen, word je je bewust van de factoren die jou sterken (empowerment). Een volgende keer kun je die factoren actief oproepen.

Het werkt!

De methode klonk me bij doorlezing van het boekje dat Gentile erover schreef meteen al heel plausibel in de oren. Het staat vol met voorbeelden van hoe het goed het werkt in de praktijk.

Vooraf: ethisch standpunt bepalen

Het systeem is overigens wel bedoeld voor als je standpunt over een ethisch vraagstuk voor jezelf duidelijk is. Het is dus geen methode voor het oplossen van ethische dilemma’s. Vaak weet je intuïtief al wat te doen, maar bij meer complexe ethische dilemma’s is er dus eerst een model nodig dat je helpt de meest ethische keuze te maken.

Training

Ik ben enthousiast en heb de methode meteen opgenomen in mijn nieuwe training ‘Ethiek op de werkvloer’: ’s morgens leer je methoden om ethische vraagstukken te herkennen en op te lossen. ’s Middags gaan we in op bovenstaande methode: je ethisch uiten ten opzichte van je baas, je klanten en/of je collega’s.

Reacties zijn welkom! Voor meer informatie, deelname trainingen of contact: JTenP.nl.

Brand! Hoe communiceren bij calamiteiten?

Onlangs kon ik weer eens ervaren hoe het niet moet in de communicatie. En dan met name bij calamiteiten. Ik verbleef in een hotel in Dubrovnik, in Kroatië, en daar brak ’s nachts brand uit.

Rond 3 uur in de nacht werd ik wakker van gestommel. Ik dacht aan luidruchtige buren en overwoog oordopjes in de doen. Het gestommel werd geren, en ik werd ongerust. Toen werd er opeens op de deur gebonsd. Ik maakte mijn partner wakker, trok een badjas aan en opende de deur. De gang stond vol rook. Ik zag niets. De rook sloeg op mijn adem en ik deed snel de deur weer dicht. Brand! Onze kamer was op de negende verdieping. We hadden geen idee waar de brand was. Was het op onze gang of stonden er al vijf verdiepingen onder ons in brand? We propten razendsnel onze portemonnees in een tas, deden slippers aan onze voeten en liepen naar de trappenhal, die vlakbij was. We daalden snel af, en meteen was daar minder rook. Het leek dus minder ernstig dan gevreesd. Nergens zagen we andere mensen. Op de begane grond, buiten bij het zwembad, konden we de hele gevel zien. Uit een kamer op onze verdieping kwam dikke rook. We zagen geen andere mensen en vroegen ons af of iedereen in het hotel doorsliep. Er ging geen alarm af.

Door de bloembakken

Na enkele minuten verschenen er mensen op onze verdieping. Ze liepen via de doorlopende brede bloembakken van de balkons naar de trappenhal. We concludeerden dat de gang onbegaanbaar was geworden van de rook. Later kwamen er meer mensen naar buiten. Op 2 verdiepingen gingen lichten aan. De 7 verdiepingen daaronder bleven donker. Het hotel was goed bezet, dat wisten we. Het leek erop dat de gasten op die verdiepingen doorsliepen terwijl er brand in het hotel was! Ontzet keken we naar de opstijgende rookpluimen. We verwachtten dat het hele hotel nu wel snel ontruimd zou worden, maar dat gebeurde niet. Na ruim een uur werd de rook minder en hoorden we van andere gasten dat we terug naar onze kamers konden. We klommen de trappen weer op en vonden een volledig doorrookte kamer.

Nergens was personeel te bekennen. We gingen naar de receptie en hoorden dat er ‘rookontwikkeling’ was geweest in de prullenbak van een van de kamers. Maar we konden onze kamer gewoon weer in hoor! Als we de schuifdeur naar buiten open zouden zetten, zou de rook snel wegtrekken. Zelf concludeerden we verontwaardigd dat er geen brandweer aan te pas was gekomen. Was die gewoon niet gebeld? Terug in onze kamer gingen we geschrokken in bed liggen. Slapen lukte niet meer. Na een halfuur duwde personeel onze deur plots open. Twee mannen wisselden enkele zinnen in een ons vreemde taal. Toen ging de deur weer dicht. Geen woord tot ons. Kwam men controleren of we binnen waren? Of we wel aan het luchten waren? We weten het nog niet.

In de doofpot

In de ontbijtzaal was de volgende ochtend niets te merken van het gebeurde, behalve dat overal in het gebouw een rooklucht hing. Er was geen briefje met een verklaring, geen flyer, geen informatiebrief aan de muur, geen manager die klaarstond om vragen te beantwoorden. Het grootste deel van de gasten had niets gemerkt. Die had men gewoon laten slapen. Onze verontwaardiging steeg met de minuut. Wat als de brand uit de hand was gelopen? Men had de zaak gauw in de doofpot gestopt, maar daarmee wel mensenlevens op het spel gezet. We keken ongerust naar de vele brand- en rookmelders in het plafond.

Nu viel ons op dat sommige af en toe een knipperlichtje lieten zien, maar een heleboel ook niet. Die stonden misschien wel uit, of de batterij was leeg, of er zat helemaal geen batterij in. Hier was sprake van mismanagement. We namen ons voor een klacht in te dienen, en waren er blij dat dit pas tijdens onze laatste nacht gebeurd was, want we wilden hier geen dag langer blijven. We vroegen om een verlate uitchecktijd, zodat onze kleren zo lang mogelijk zouden kunnen luchten. Geen probleem, zei men aan de balie. Maar meer zei men ook niet. Geen toelichting, geen excuus. Pas toen we bij het uitchecken vroegen om een adres om onze klacht naartoe te sturen, kregen we een aarzelend excuus.

Non-communicatie

Het was het toppunt van non-communicatie. Het is afschuwelijk dat het alarm niet werkte, dat men de brandweer niet belde, dat men probeerde een brandje onder de pet te houden, dat men de levens van hotelgasten riskeerde. Allemaal redenen om een stevige klacht in te dienen. Maar dat allemaal daar gelaten, is het natuurlijk ook nog eens heel dom om niet over het gebeurde te communiceren. Wij trokken nu onze eigen conclusies. Wat ook de verklaring was voor dit wanbeleid, het had geholpen als we er iets over gehoord of gelezen hadden.

Communiceer!

Kortom: communiceer! Ook bij problemen, ook bij gemaakte fouten, ook als je je als manager doodschaamt voor wat er onder jouw leiding is gebeurd. Het had enorm geholpen als er bij het ontbijt flyers op de tafels hadden gelegen met een excuus, een verklaring en een uitnodiging om de manager aan te spreken bij vragen. Gezien de afweging van kosten en baten (zie hieronder) zou ik het wel weten als ik de manager was… Maar beter is het natuurlijk om te zorgen dat het brandalarm in orde is. Dus die klacht gaat zeker de deur uit.

Kosten:

  • 5 euro kopieerwerk
  • een werkdag van de manager
  • een lichte ongerustheid bij gasten die van nog van niets wisten
  • een paar extra kamers voor gasten die een nieuwe kamer willen

Baten:

  • meer begrip van gedupeerde gasten
  • minder kans op zeer negatieve beoordelingen op websites
  • mogelijk het voorkomen van onze klacht bij de hotelketen
  • ethisch bezig

Wat kan framing betekenen voor communicatie en politiek debat? Leer het van Hans de Bruijn

Hoogleraar bestuurskunde Hans de Bruijn heeft een heel interessant boek over framing geschreven (deze week komt de vierde druk uit): Framing, over de macht van taal in de politiek. Het boek is leerzaam voor politici, maar ook voor wie werkaam is in de communicatie (perscommunicatie, crisiscommunicatie, het ontwerpen van campagnes, etc.).

Ik bespreek het boek globaal, maar raad je aan het te lezen. Ik kan hier niet veel voorbeelden opnemen, en die zijn juist zo verhelderend. Wat ik eruit licht is overigens een persoonlijke keuze, op grond van wat ik zelf voor mijn beroep als communicatieadviseur wil onthouden en met collega’s wil delen. Dit is dus geen recensie of samenvatting!

Een frame schept een eigen werkelijkheid

Een frame is een set associaties die opgeroepen wordt door bepaald taalgebruik. Die associaties beïnvloeden de manier waarop we naar het onderwerp en de zender kijken, en scheppen een eigen werkelijkheid.

Voorbeeld: in 2009 willen de Nederlandse overheid en Shell CO2 opslaan onder een wijk in Barendrecht. Ze bereiden een pilot voor. Wellicht om Engels taalgebruik te vermijden wordt dit goedbedoeld een “proefproject” genoemd. De associatie van bewoners is echter dat zij als proefkonijn worden gebruikt. Zo komt de communicatie per ongeluk in een niet erg productief frame terecht.

Ga ook maar eens na wat voor jou het verschil is tussen: genetisch gemodificeerd voedsel en genetisch gemanipuleerd voedsel, meldpunt en kliklijn, modernisering en reorganisatie, terrorisme en extreem geweld, marktwerking in de zorg en het recht van de patiënt om te kiezen, een werkvoorraad bij de rechtbank en een werkachterstand, een stemming in het parlement winnen en een stemming in het parlement overleven.

Zelf doen

Framing kun je met een beetje aandacht zelf toepassen. Wil je de tegenstander voor je winnen, refereer dan bijvoorbeeld aan zijn waardepatroon. Dit doet bijvoorbeeld Herman Wijffels als hij pleit voor meer aandacht voor alternatieve energiebronnen. Hij gebruikt geen termen rond duurzaamheid, maar juist de terminologie en het waardepatroon van rechts, rond economie, macht en onafhankelijkheid:

Het spel om olie en gas krijgt de komende decennia een wreder karakter. De rol van de markt gaat afnemen. Opkomende economieën gaan, met regeringssteun, een steeds groter beslag leggen op schaarser geworden bronnen. De dreiging van conflicten zal toenemen. Wat heeft Nederland als klein land en zonder noemenswaardige militaire macht in die arena te zoeken? Wat is logischer dan in zo’n situatie zo veel mogelijk energie zelf op te wekken? Lokaal geproduceerd, en groen. Via windenergie, zone-energie en het verbouwen van biomassa. (Onderstrepingen HdB)

Stap niet in andermans frame

Als je door anderen bestookt wordt met een voor jou niet passend frame, ga dat dan niet gewoon ontkennen. Door te zeggen “ik ben helemaal geen boef” (Nixon: I am not a crook)koppel je opnieuw het woord boef aan jouw persoon, en bevestig je indirect dat verband nog eens. Je maakt het vaak alleen maar erger. Men denkt als het ware: oh ja, daar heb je die boef weer, die ook nog glashard ontkent dat hij fout bezig is geweest! Kortom: stap niet in andermans frame.

Construeer liever een nieuw, positief frame: “ik ben nooit bang geweest om risico’s te nemen”. Daarmee zet je jezelf in een nieuw frame, maar indirect ook je opponent, die opeens iemand wordt die een dapper iemand zomaar een boef noemt. Dit is misschien een wat extreem voorbeeld, maar via een heleboel voorbeelden wordt het in het boek steeds duidelijker. Als het CDA wordt beschuldigd van betutteling en bemoeienis met het gezinsleven achter de voordeur kan het zeggen: “Wij blijven niet onverschillig als er vrouwen of kinderen mishandeld worden. Inderdaad, dan grijpen wij liever in.” Degene die van betutteling sprak, is opeens onverschillig.

Onethisch?

Betekent dit nu dat het niet ethisch is om framing te gebruiken? Dat kun je niet zeggen. Ook de ethiek moet de realiteit onder ogen zien. Framing is overal. Je kunt je er niet volledig aan onttrekken. Wel kun je bij bewust gebruik van framing nagaan of je nog wel eerlijk bezig bent en geen onwaarheden vertelt of mensen misleidt. Kijk vooral goed naar de mogelijke gevolgen van je uitingen. Daarnaast moet enig sportief taalspel wel mogelijk zijn.

‘Likes’ te koop

Het begon te knagen toen op mailplatforms verzoekjes kwamen als: “mijn zoon doet mee aan de Cultuurchallenge Alkmaar, dus ga even op hem stemmen, dan maakt hij een goede kans te winnen”. Ik ben nooit te beroerd mijn medemens te helpen, maar hier voelde ik me toch ongemakkelijk bij. Want wie kon me zeggen of de zoon de beste inzending had?Moest niet de beste winnen, in plaats van degene wiens moeder het actiefst is met stemmen werven? Ik deed er niet aan mee, al gunde ik de moeder en de zoon alle goeds van de wereld.

Vind ik leuk

Op veel sociale media kun je dingen ‘liken’, van grap tot filmpje, van bedrijfsuitje tot behangmotief. Ik vind bijvoorbeeld leuk:

  • dat Lisette Kreischer (Veggie in Pumps/Ecofabulous) bij Vroege Vogels komt
  • een mooi gemaakt filmpje filmpje, al is het reclame
  • de in oude muziek onovertroffen Capilla Flamenca

Ik doe het steeds vaker, het duimpje omhoog aanklikken. Wat kan voor jezelf reden zijn om dat te doen?

  • je spontane positieve gevoel uiten (bijvoorbeeld als kennissen schrijven “wij zijn gisteren getrouwd!”)
  • iets aanbevelen (lekker ijs, een goede dichtbundel, een rake column van Youp)
  • je profileren (aha, zij is iemand die van ruige pop houdt, Radio 1 luistert, bezig is met duurzaamheid)

25 ‘likes’

Ik verkeer in een groep van mensen die zich professioneel met sociale media bezig houden. Die doen regelmatig een beroep op elkaar op een pagina op Facebook te ‘liken’, omdat het systeem pas bij 25 ‘likes’ jouw paginanaam als url vastlegt. Ik ken deze mensen en vertrouw op hun kwaliteiten, dus ik kom graag tegemoet aan hun oproepen. Nu hebben deze mensen ook klanten voor wie ze pagina’s aanmaken. Dus wordt mij verzocht om een tandhygiënist, een loodgieter, een exporteur van tulpen en een yogacentrum te ‘liken’. Ik weet niet of ik die wel allemaal wil ‘liken’. Ik weet niet of de tandhygiënist een redelijk tarief vraagt, de loodgieter lekkages adequaat verhelpt, de exporteur van tulpen duurzaam werkt (kan volgens mij niet) en het yogacentrum geen enge sekte herbergt. Ik kan niet ‘liken’ wat ik niet ken. Dus doe ik niet mee.

Devaluatie

Ik bracht dit ter sprake in een bijeenkomst van de Social media Managers, maar vond weinig weerklank. Niemand verplichtte mij om iets te ‘liken’, en de meesten deden het zelf graag, om elkaar te helpen. Er werd zelfs gerept van het belonen van ‘likers’ met een vergoeding. Dan zijn ‘likes’ dus te koop.

Elkaar helpen is goed, mee eens, maar we moeten ook oppassen dat het verschijnsel ‘liken’ niet devalueert tot waarde nul. Het behoudt alleen zijn waarde als het oprecht is, en minstens gebaseerd op een eigen positieve ervaring of informatie uit zeer betrouwbare bron. Ik laat me ook beïnvloeden door beoordelingen van anderen, en hoop dan dat die oprecht zijn, en niet voortkomen uit een grote familie- en vriendenkring die uit liefde voor de naaste bereid is een smerige afhaalmaaltijd aan te bevelen als een culinair hoogtepunt.

Ik ben het niet, Gerda!

Ik interviewde Gerda Verburg voor de Dierenbescherming, over diervriendelijk consumeren. Het gesprek ging als vanzelf ook richting duurzaamheid. “We gooien allemaal een vijfde van het voedsel dat we kopen weg,“ zei ze. “Je denkt, ‘dat ben ik niet’, maar ja hoor, dat ben je wel. We doen het allemaal.” Ze ging haar leven beteren.

In de trein terug uit Den Haag vroeg ik me af of ik het écht was. Nee, ik was het niet. Ik was niet alleen behoorlijk milieubewust, maar ook nog eens heel zuunnug (je raadt al waar mijn geboortegrond ligt). Elk restje eten gebruik ik de volgende dag als uitgangspunt voor de maaltijd. Een halve schep soep is een heerlijk lunchhapje. Een paar aardappelen en een restje rode kool maken een mooi stamppotje. Ik doe ook erg mijn best om niet te veel klaar te maken. Op is op. We blijven er slank bij.

Weggooien doe je gewoon niet. Ik richt mijn huis in met meubels die anderen niet meer kunnen gebruiken. Het bed waarin ik zelf ben geboren, heb ik laten verlengen voor mijn snelgroeiende zoon. Toen hij nog verder doorgroeide werd het logeerbed. De stoelen waarop ik als peuter aan tafel zat te kleuren zijn naar mij toe gekomen. Ze waren enkele jaren daarvoor nog netjes opnieuw bekleed door mijn al even zuunnuhe vader. Mosgroen. Heel mooi vind ik de kleur niet, maar met olijfgroene placemats en dieppaarse servetten en kaarsen erbij staat het ook wel weer apart. Zo maak je van de nood een deugd! Kleren die ik beu ben bewaar ik in dozen tot ze tien jaar later weer hip zijn of vintage. Laatste stond ik bij de afvalbak met de piepschuim vormen waarin mijn printer was afgeleverd. Ik kreeg het niet over mijn hart ze weg te gooien. Ik heb er grappige fotolijstjes van gemaakt. Je kunt alles nuttig hergebruiken, alles.

Steun en toeverlaat in mijn voedselbewaarmanie is een set van 36 in elkaar passende kunststof doch eeuwig te gebruiken koelkastdoosjes. In het kleinste exemplaar kun je niet veel meer dan één rond koekje of een doorgesneden asperge bewaren. Laatst vond ik er eentje naast het halfje volkoren in mijn bescheiden vriesvak. In het minuscule bakje zat een bodempje opgevroren lichtbruine massa.

Ik heb me suf gepiekerd wat dit kon zijn. Het rook kruidig. Wat had ik niet willen weggooien, maar ook niet direct kunnen gebruiken? Ik ging alle lichtbruine goedjes na die ik wel eens had gemaakt. Een saus? Ik maak zelden andere sauzen dan pinda- of pastasaus, en daar rook het niet naar. Een smeersel voor op toastjes? Om dat zelf te maken ben ik te lui. Een vulling voor deegflapjes? Die maak ik altijd direct op door wat extra flapjes te vouwen. Kortom, het was een raadsel en bleef een raadsel.

Ik heb het bakje nog een week in de vriezer laten staan, want om te weten wat het was moest ik het spul ontdooien, maar als het ontdooid was moest ik het ook gebruiken, en hoe kon ik nu iets in het menu inplannen waarvan ik niet wist wat het was? Uiteindelijk heb ik het in een weekend waarin alle eetplannen nog open stonden, ontdooid en voorzichtig geproefd, zoals dieren doen, met het tipje van de tong, om daarna even af te wachten of je er niet dood van neervalt. Nog wist ik niet wat het was. Het smaakte niet lekker. Ik dacht aan de kok die probeert helemaal blanco te proeven om originele combineerideeën op te doen. Zouden ze dat geblinddoekt doen? Misschien durf je dan chocoladeaardappelpuree te verzinnen, of cayennepeperzuurtjes, omdat je een smaak proeft zonder vooroordeel. Ook ik proefde volledig blanco, maar ik kon niets lekkers verzinnen met deze eigenaardige smaak.

Toen heb ik een grote stap genomen: ik heb het restje weggegooid, zomaar, bof, in de gft-emmer . Dat dat geluid tot me tot op de dag van vandaag achtervolgt lijkt me afdoende bewijs om te kunnen zeggen: ik ben het niet, Gerda, echt niet.

Kan gebeuren!

Een meisje draait plots haar fiets dwars het fietspad op, vlak voor mijn wielen. Met piepende remmen kom ik net op tijd tot stilstand. “Jezus!” roept ze hard en een tikje verwijtend, van schrik natuurlijk. Ik zeg glimlachend: “Dat deed je toch echt zelf!” Zij: “Kan gebeuren, hoor!”

“Kan gebeuren,” een betekenisvolle uitdrukking. Ik gebruik haar zelf vaak. De functie is voor zover ik weet om iemand gerust te stellen die zich excuseert. “Oh, sorry, ik gaf je per ongeluk een duw!” “Kan gebeuren.” Of aan de telefoon bij één van die vele beruchte helpdesks: “Het spijt me heel erg dat uw klacht nooit bij de juiste persoon terecht is gekomen.” “Ach, dat kan gebeuren.” Ik kan me heel boos maken hoor, laat daar geen misverstand over bestaan, maar als de ander zich excuseert ben ik al heel snel bereid om een vergevingsgezind “kan gebeuren” te uiten. We zijn tenslotte allemaal mens – een behoorlijk foutgevoelig systeem. Het is eerder onverschillige botheid die een gevoel van machteloze boosheid oproept, niet het feit dat er fouten worden gemaakt. De managers van helpdesks zouden zich dat misschien beter moeten realiseren.

Recht op dom en lomp doen

Maar dit was anders. De kleine gebeurtenis gaf en een onbehagelijk gevoel. Want was is er aan de hand? Nu zeg je dus zelf “kan gebeuren” als je beseft dat je een fout hebt gemaakt in plaats van een eenvoudig “sorry”. Het past volledig in deze tijd om vergeving op te eisen, zonder nog je excuses te maken. Dom en lomp doen is je volste recht, want het kan immers gebeuren! Precies zo menen velen een onbetwistbaar recht te hebben op respect, medeleven, een uitkering, verzorging van de wieg tot het graf. Begrijp me niet verkeerd, ik ben erg voor vergeving, respect, medeleven, uitkeringen en verzorging van de wieg tot het graf, maar eenmaal opgeëist zijn het geen fijne zaken meer om uit te delen. Want dan weet ik er nog wel een paar: “wie vragen worden overgeslagen” en “Sinterklaas blijft niet rijden”!