Terug naar de natuur of ‘technofix’? Dag van de Milieufilosofie

World Earth Day, 22 april, werd door het Ethiek Instituut van de Universiteit Utrecht en de Nederlandse Onderzoeksschool Wijsbegeerte ingevuld als Dag van de Milieufilosofie. Filosofen, biologen, ecologen en vele anderen kwamen bij elkaar om actuele onderwerpen te bespreken, waaronder de vraag of de ‘technofix’, de technologische oplossing, het antwoord is op de grote milieuvragen.

Ondanks de actuele vraagstelling boden veel sprekers allereerst een historisch perspectief. Jozef Keulartz schokte de zaal met illustraties bij zijn verhaal over Rachel Carson, die zich na de Tweede Wereldoorlog fel verzette tegen het gebruik van DDT. Kinderhoofdjes verdwenen in een wolk van DDT – tegen de luizen? Een vrouw kreeg een flinke dosis op haar geslachtsstreek gespoten – ook tegen luizen? Ontwikkelingswerkers in Afrika bespoten demonstratief een bordje pap en aten dat op, ten overstaan van stammen die overtuigd moesten worden van de veiligheid van het spul. Met talloze voorbeelden betoogde Keulartz dat de strijd tussen de gelovigen van de vooruitgang en de critici van alle tijden is. Het onderscheid dat hij wilde maken tussen ‘ingenieurs’, die iets voor ogen hebben en dat vervolgens creëren, en ‘bricoleurs’ (knutselaars) die kijken wat ze kunnen maken van de materialen die er al zijn, leek echter mank te gaan. Ook in de biotechnologie zou je immers kunnen stellen dat men knutselt met (kleine) elementen die er al zijn. Hij legt echter de vinger op de zere plek als hij stelt dat er naar die onderzoeksdiscipline aanzienlijk meer geld gaat dan naar agro-ecologie.

Met rust laten.

Uit de geschiedenis van de relatie tussen mens en wolf, die historisch ecoloog Rob Lenders schetste, werd duidelijk dat Germaanse namen als Adolf en Wolfgang stammen uit de prechristelijke tijd, en alles te maken hebben met troepen rovende mannelijke adolescenten, die vergeleken werden met roedels wolven. Met de kerstening werden zij, en de wolf met hen, symbool van het slechte en ongeciviliseerde, de personificatie van de duivel. Wanneer men in de middeleeuwen een wolf doodde, werd die in mensenkleren aan de galg gehangen. Zo rekende men af met het kwaad.

Al deze verrukkelijke weetjes geven echter nog geen handvatten voor onze huidige of toekomstige omgang met milieu, natuur en dieren. Frans Vera probeerde die te geven wat betreft de grauwe gans, die de Oostvaardersplassen heeft ontdekt als perfect gebied om de gevaarlijke periode van rui uit te zitten. Zelfs natuurbeschermers zien de duizenden ganzen als een verstoring, in plaats van een element dat de natuur completeert. Met rust laten, is Vera’s credo, een positie die hij eerder ten opzichte van de grote grazers innam. Sjaak Swart, bioloog-ethicus, plaatst daar een kritische kanttekening bij. Want waar eindigt wildheid en heb je het over (licht) gedomesticeerde dieren? En hoe zit het met het welzijn? En de zorgplicht? Hij haalde Sue Donaldson en Will Kymlicka aan. Zij beschouwen dieren die de menselijke samenleving betreden als immigranten met bepaalde basisrechten.

Feit en fictie

Interessant voor wie zich bezighoudt met communicatie over natuur en milieu is het onderscheid dat Martin Drenthen maakt tussen de rationele benadering, ofwel presentatie van de feiten (wolven zijn schuw en maken zelden slachtoffers, in tegenstelling tot honden), en de symbolische benadering (de wolf als symbool van wildheid, als bezoeker uit een wereld die zich aan onze controle onttrekt). Juist waar Drenthen een onderscheid maakt, ligt een kans voor natuurvoorlichting: combineer de nuchtere feiten met spannende verhalen, maar wees tegelijk duidelijk over wat feit is en wat fictie. Een niet onbelangrijk voorbeeld van zo’n feit is volgens ecoloog Erwin van Maanen overigens dat de biodiversiteit in een groot natuurgebied baat heeft bij de wolf als toppredator. Het is aangetoond in de Verenigde Staten.

Technofix

Maar moeten we nu terug naar de natuur, soberder leven, met minder technologie, of moeten we juist technologische oplossingen zoeken voor een milieuvraagstuk als klimaatverandering? Natuurkundige Kornelis Blok pleitte provocerend voor grootschalige, technologische oplossingen, ‘omdat de meeste mensen nu eenmaal liever zonnepanelen kopen dan dat ze de helft van hun apparatuur de deur uit doen’. Het kwam hem op felle reacties te staan van de toch overwegend romantische ingestelde milieucongresbezoeker, voor wie soberheid en kleinschaligheid waarden op zich zijn. Daarbij vergeten zij misschien wel eens dat slimme, efficiënte oplossingen voor dagelijkse tijdvreters juist de tijd opleveren die kan worden besteden aan zaken van waarde: lezen, met de kinderen spelen, voor onze ouders zorgen, een maaltijd bereiden voor gasten. Wie wil er terug naar de tijd dat de huisvrouw de hele week bezig was met tuinieren, wecken, koken, naaien, sokken stoppen en lakens wassen op een wasbord? En moeten we niet blij zijn met kweekvlees, zoals bioloog-filosoof Cor van der Weele opmerkt, dat een einde kan maken aan de lijdensweg van het productiedier? Die technologische oplossing heeft in elk geval meer kans van slagen dan wachten tot iedereen vegetariër wordt.

Slimme uitvindingen

We hebben natuur nodig, als punt van rust, als symbool van waar we vandaan komen, als een plek waar we andere levende organismen ontmoeten en leren kennen. Maar tegelijk zijn we natuur, en wel een aftakking van de evolutie die een aantal slimme uitvindingen kan doen. We zouden onszelf én de natuur tekort doen als we dat vermogen braak lieten liggen uit angst om de relatie tussen mens en natuur te verbreken. Daartoe zullen we de romantische idee dat natuur goed is en techniek slecht moeten zien te overwinnen. De milieufilosofie staat daar open voor, maar haar publiek lijkt er nog nauwelijks aan toe.

Wat kan framing betekenen voor communicatie en politiek debat? Leer het van Hans de Bruijn

Hoogleraar bestuurskunde Hans de Bruijn heeft een heel interessant boek over framing geschreven (deze week komt de vierde druk uit): Framing, over de macht van taal in de politiek. Het boek is leerzaam voor politici, maar ook voor wie werkaam is in de communicatie (perscommunicatie, crisiscommunicatie, het ontwerpen van campagnes, etc.).

Ik bespreek het boek globaal, maar raad je aan het te lezen. Ik kan hier niet veel voorbeelden opnemen, en die zijn juist zo verhelderend. Wat ik eruit licht is overigens een persoonlijke keuze, op grond van wat ik zelf voor mijn beroep als communicatieadviseur wil onthouden en met collega’s wil delen. Dit is dus geen recensie of samenvatting!

Een frame schept een eigen werkelijkheid

Een frame is een set associaties die opgeroepen wordt door bepaald taalgebruik. Die associaties beïnvloeden de manier waarop we naar het onderwerp en de zender kijken, en scheppen een eigen werkelijkheid.

Voorbeeld: in 2009 willen de Nederlandse overheid en Shell CO2 opslaan onder een wijk in Barendrecht. Ze bereiden een pilot voor. Wellicht om Engels taalgebruik te vermijden wordt dit goedbedoeld een “proefproject” genoemd. De associatie van bewoners is echter dat zij als proefkonijn worden gebruikt. Zo komt de communicatie per ongeluk in een niet erg productief frame terecht.

Ga ook maar eens na wat voor jou het verschil is tussen: genetisch gemodificeerd voedsel en genetisch gemanipuleerd voedsel, meldpunt en kliklijn, modernisering en reorganisatie, terrorisme en extreem geweld, marktwerking in de zorg en het recht van de patiënt om te kiezen, een werkvoorraad bij de rechtbank en een werkachterstand, een stemming in het parlement winnen en een stemming in het parlement overleven.

Zelf doen

Framing kun je met een beetje aandacht zelf toepassen. Wil je de tegenstander voor je winnen, refereer dan bijvoorbeeld aan zijn waardepatroon. Dit doet bijvoorbeeld Herman Wijffels als hij pleit voor meer aandacht voor alternatieve energiebronnen. Hij gebruikt geen termen rond duurzaamheid, maar juist de terminologie en het waardepatroon van rechts, rond economie, macht en onafhankelijkheid:

Het spel om olie en gas krijgt de komende decennia een wreder karakter. De rol van de markt gaat afnemen. Opkomende economieën gaan, met regeringssteun, een steeds groter beslag leggen op schaarser geworden bronnen. De dreiging van conflicten zal toenemen. Wat heeft Nederland als klein land en zonder noemenswaardige militaire macht in die arena te zoeken? Wat is logischer dan in zo’n situatie zo veel mogelijk energie zelf op te wekken? Lokaal geproduceerd, en groen. Via windenergie, zone-energie en het verbouwen van biomassa. (Onderstrepingen HdB)

Stap niet in andermans frame

Als je door anderen bestookt wordt met een voor jou niet passend frame, ga dat dan niet gewoon ontkennen. Door te zeggen “ik ben helemaal geen boef” (Nixon: I am not a crook)koppel je opnieuw het woord boef aan jouw persoon, en bevestig je indirect dat verband nog eens. Je maakt het vaak alleen maar erger. Men denkt als het ware: oh ja, daar heb je die boef weer, die ook nog glashard ontkent dat hij fout bezig is geweest! Kortom: stap niet in andermans frame.

Construeer liever een nieuw, positief frame: “ik ben nooit bang geweest om risico’s te nemen”. Daarmee zet je jezelf in een nieuw frame, maar indirect ook je opponent, die opeens iemand wordt die een dapper iemand zomaar een boef noemt. Dit is misschien een wat extreem voorbeeld, maar via een heleboel voorbeelden wordt het in het boek steeds duidelijker. Als het CDA wordt beschuldigd van betutteling en bemoeienis met het gezinsleven achter de voordeur kan het zeggen: “Wij blijven niet onverschillig als er vrouwen of kinderen mishandeld worden. Inderdaad, dan grijpen wij liever in.” Degene die van betutteling sprak, is opeens onverschillig.

Onethisch?

Betekent dit nu dat het niet ethisch is om framing te gebruiken? Dat kun je niet zeggen. Ook de ethiek moet de realiteit onder ogen zien. Framing is overal. Je kunt je er niet volledig aan onttrekken. Wel kun je bij bewust gebruik van framing nagaan of je nog wel eerlijk bezig bent en geen onwaarheden vertelt of mensen misleidt. Kijk vooral goed naar de mogelijke gevolgen van je uitingen. Daarnaast moet enig sportief taalspel wel mogelijk zijn.

Bevlogenheid wint

Ik was door VNO-NCW uitgenodigd voor de UN Global Compact Conference 2012 over The Green Economy, in de prachtige Eusebiuskerk in Arnhem. Wat stak ik daar op?

  1. Otto Group doet behoorlijk zijn best om duurzamer te worden. Zo willen ze af van luchtvervoer van artikelen omdat dat 20 maal vervuilender is dan vervoer per schip over zee. Dit vertelde Andreas Streubig, directeur milieu- en sociaal beleid.
  2. John Elkington, de uitvinder van 3P (People Planet Profit) en een indrukwekkend spreker, vertelde (op mijn vraag) dat voor hem ook dierenwelzijn een plaats hoort te hebben in maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO). Hij voorspelde dat de huidige vee-industrie vanzelf ophoudt te bestaan als we werk maken van het reduceren van de CO2-emissie. Ook als een samenleving niet speciaal gemotiveerd is voor dierenwelzijn, maar wel voor het milieu, zal het eten van vlees van dieren tot de verleden tijd gaan behoren. De vleesindustrie zal eventueel overgaan op kweekvlees. Over hoe we dat allemaal voor elkaar moeten krijgen zei hij: “Zorg dat gedragverandering plezierig is, dan wordt het vanzelf een cultuurverandering.” Alle ruimte dus voor de aanpak van bijvoorbeeld Lisette Kreischer met haar vrolijke eco- en vegakookboeken.
  3. Er werd een tendens gesignaleerd dat MVO steeds minder gaat over het veroveren van een concurrentiepositie, en steeds meer over samenwerking tussen concurrerende merken om de hele keten duurzaam te maken. Als ‘eenling’ heb je soms weinig invloed op je leveranciers, maar als groep bedrijven heb je veel invloed. Prijsafspraken mag je dan wel niet maken, duurzaamheidsafspraken wel!

Heel bemoedigend allemaal, maar er moet nog veel gebeuren! Het geheel werd met veel humor aan elkaar gepraat door Harm Edens. Een aanbevolen dagvoorzitter, die het thema van de dag tot leven wist te brengen. Het waren zijn persoonlijke anekdotes die uiteindelijk het beste bleven hangen. De belangrijkste les die ik mee naar huis nam ging dan ook niet over duurzaamheid, maar over communicatie: hoe degelijk je presentatie ook in elkaar zit, bevlogenheid wint het uiteindelijk.

Een instrument voor MVO / MBO

Stappenplan voor het MKB om tot Maatschappelijk Verantwoord en Betrokken Ondernemen (MVO/MBO) te komen

Het begin

Als een MVO-adviseur een bedrijf binnenkomt, of een medewerker of afdeling die rol krijgt, is er een vraag. Het is belangrijk om die vraag gezamenlijk vast te stellen, en door te vragen tot de juiste vraagstelling geformuleerd is. Laten we uitgaan van een wat gemiddelde vraagstelling: hoe kunnen wij in deze organisatie MVO/MBO vormgeven? Hoewel adviesbureaus hun werkwijzen hebben, zijn er in de wetenschappelijke literatuur (voor zover mij bekend) weinig complete instrumenten beschreven. Wel worden deelaspecten vermeld waarvan je je rekenschap moet geven. Een voorbeeld daarvan zijn kenmerken van MKB: de nauwe relatie tussen de rollen van eigenaar en manager, de vele informele relaties, de weinige belangstelling voor codes en externe standaarden en de sterke binding met traditionele termen (waarden, verantwoordelijkheid, plicht, vertrouwen…) (Murillo en Lozano 2006). Jenkins (2006) biedt grove stappen die genomen kunnen worden: waarden bepalen, concrete doelen vastleggen, uitdagingen aanpakken en de ‘winst’ opzoeken. Van Marrewijk et al (2005) pleiten voor aansluiting bij een bestaand instrument voor excellentie van organisaties, maar komen niet tot een MVO-instrument. Hieronder verwerk ik informatie uit literatuur, eigen ervaring en eigen denken in een stappenplan.

JT&P-route naar MVO en MBO ©

I ANALYSE

  1. Wie willen MVO/MBO? Het is nodig vast te stellen wie in het bedrijf MVO/MBO willen. Komt het idee van directie, eigenaar, belanghebbenden, een bepaalde afdeling of wellicht van individuele medewerkers uit allerlei delen van de organisatie? Is er één persoon enthousiast of zijn meer personen of groepen dat? Vraag je vanaf het begin af hoe je straks de hele organisatie meekrijgt, voor zover dat nodig of gewenst [1].
  2. Welke belanghebbenden zijn er en welke wil men betrekken? De zogenaamde stakeholders worden hier in kaart gebracht. Daarbij is het zaak een grens te trekken, want uiteindelijk verandert elke vlinderslag ergens in de wereld iets.
  3. Ga verder met een kerngroep en ga in dialoog met (andere) belanghebbenden. Om straks voldoende weerklank en draagvlak te hebben in de organisatie is het belangrijk in een vroeg stadium mensen uit verschillende lagen en geledingen van de organisatie te betrekken bij de vormgeving van het MVO/MBO-beleid. Daarbij zijn twee elementen van belang: spreiding en vrijwilligheid. Spreiding omdat er straks ambassadeurs in de hele organisatie nodig zijn om ervoor te zorgen dat het beleid tot in alle (relevante) hoeken van de organisatie wordt doorgevoerd; vrijwilligheid omdat een ongemotiveerde ambassadeur geen ambassadeur is. In de kerngroep kunnen ook vertegenwoordigers van de belanghebbende partijen buiten de organisatie plaatsnemen, op verzoek van de organisatie (zie hierboven). Met belanghebbenden die niet in de kerngroep vertegenwoordigd zijn, kan de kerngroep in dialoog treden.
  4. Ga na of en hoe je nu al intern/extern wilt communiceren, of wanneer dan wel. Dit is een punt om vroegtijdig te bespreken in de kerngroep. Willen we nu al communiceren? Is er voldoende awareness in de organisatie (Murillo & Lozano 2006)? Het is verstandig vroeg te beginnen met de interne communicatie, zodat de werknemers vanaf het begin meegenomen worden in de ontwikkelingen. Misschien melden zeer gemotiveerde werknemers zich spontaan aan voor de kerngroep. Misschien komen medewerkers spontaan met ideeën. Het is verstandig om op dit moment al een globaal communicatieplan op te stellen, dat later wordt uitgewerkt en opgenomen in het MVO/MBO-plan.
  5. Wat zijn de bedrijfswaarden (ook in relatie tot missie en merkbelofte)? De kerngroep gaat nu inventariseren wat de kernwaarden van de organisatie zijn, ofwel de waarden die de organisatie nastreeft, zowel binnen als buiten het bedrijf. Hierbij is een waardespel en/of hulp van een deskundige op het gebied van waarden aan te bevelen. Sluit daarbij aan op het taalgebruik en de identiteit van de organisatie (Murillo en Lozano, 2006). Heeft de organisatie al veel documenten waarin de waarden benoemd zijn, dan kan een waardeanalyse volstaan. In beide gevallen kan gebruik worden gemaakt van een tabel met vier kolommen voor de poten People, Profit, Planet, Pets (Masurel 2008)[2]. In elke kolom worden de bedrijfswaarden benoemd die daarop betrekking hebben. Waarden kunnen vaker voorkomen of (ook letterlijk) dikker aangezet worden. Er kan ook met wegingscijfers gewerkt worden.
  6. II KEUZE

  7. Wat zijn de waarden die het bedrijf wil steunen? Dit is misschien wel het lastigste punt, dat dan ook intensieve begeleiding vraagt. Er moeten veel keuzes gemaakt worden. Wie adviseren en wie beslissen? Gaat de organisatie zich richten op één waarde, enkele waarden of vele waarden? Wordt een begin gemaakt met enkele waarden en worden de andere naar de lange termijn geschoven? Hier wordt nog niet gekeken naar haalbaarheid, enkel naar prioriteit. De in de tabel dikker aangezette of zwaarder wegende waarden zijn sturend.
  8. Hoe kunnen de waarden in het interne proces worden geïntegreerd? Hier gaat de kerngroep kijken naar mogelijkheden voor MVO en de haalbaarheid binnen de organisatie. Het komt nu langzamerhand aan op praktische oplossingen, een reden om meer personen in het bedrijf bij de ontwikkelingen te betrekken door middel van interne communicatie en technieken als die van kwaliteitsmanagement. Door meer mensen creatief te laten meedenken is er wellicht meer haalbaar dan men in eerste instantie denkt. Slimme, efficiënte oplossingen zijn hier geboden, en kunnen ervoor zorgen dat MVO geen tijd en geld kost, maar tijd en geld oplevert. Een grondige analyse van de kosten en baten is noodzakelijk, ook om kritische partijen binnen de organisatie te overtuigen en mee te krijgen.
  9. Hoe kunnen de waarden in het externe proces worden geïntegreerd? Hetzelfde proces moet, eventueel parallel, worden gevolg waar het gaat om MBO, het bevorderen van waarden buiten het interne bedrijfsproces, dus bijvoorbeeld door goede doelen te steunen, andere producten in de kantine te leggen of goed te doen tijdens een bedrijfsuitje.
  10. Wie gaan MVO en MBO vormgeven? Nu moet worden besloten wie het beleid vorm gaan geven. Het hele kernteam? Een kleiner team? Bepaalde managers? Een aparte manager MVO/MBO? Een externe persoon die er al bij betrokken was? Wie kan dit het beste doen? Wijs in niet te weinig mensen aan, want twee weten meer dan één. Wordt het toch één persoon, zorg dan voor een goed klankbord.
  11. Maak een strategie en een plan, incl. communicatie. Stel daarin prioriteiten. Nu kan het vormgeven beginnen. Er wordt een MVO/MBO-plan geschreven met minimaal opnieuw prioritering, concrete stappen, budget, wie verantwoordelijk is voor de uitvoering en een planning. De inhoud ligt in feite al klaar. Het eerder gemaakt communicatieplan wordt geïntegreerd en bijgesteld. Een nieuw element in het plan kan zijn: aansluiting bij branche- of waardegenoten, zodat men van elkaar kan leren en elkaar kan enthousiasmeren.
  12. III UITVOERING

  13. Voer MVO en MBO uit volgens het plan. De in het plan aangewezen uitvoerenden gaan nu aan de slag met het plan en voeren het stap voor stap uit.
  14. Besteed extra aandacht aan de interne en externe communicatie. In de waan van de dag kan de communicatie (bij punt 10 in het plan opgenomen) alsnog vergeten worden. Interne communicatie is noodzakelijk als het de bedoeling is dat MVO/MBO door de hele organisatie gedragen wordt, en dat is in veel gevallen een voorwaarde voor voortduring na de eerste golf van enthousiasme. Externe communicatie is noodzakelijk als de organisatie zich met aspecten van MVO/MBO wil profileren en deze een rol wil laten spelen in haar merk.
  15. Wie gaan MVO en MBO evalueren en hoe vaak? Als dat nog niet beschreven is in het plan, is het nu zaak om vast te stellen hoe het evalueren (minstens jaarlijks, parallel met de jaarverslaggeving) zal plaatsvinden en door wie. Dit is een punt dat snel vergeten wordt, maar essentieel is voor het voortbestaan van MVO/MBO in de organisatie!
  16. Neem de activiteiten op in bestaande procedures, taakverdelingen en managementplan. Het zou niet zo moeten zijn dat de uitvoerders van het plan blijvend verantwoordelijk zijn voor de maatregelen die ze hebben beschreven in het plan. Deze moeten nu opgenomen worden in de werkwijze van de organisatie, zodat de uitvoering daarin meegenomen wordt.
  17. Evalueer regelmatig en loop de gehele lus dan weer door. Stel bij. Nu is het zaak om regelmatig te evalueren en bij te stellen met onder meer nieuwe actiepunten. De frequentie en diepgang van de evaluatie hangen onder meer samen met de omvang van de organisatie, de maatregelen en de capaciteit van de uitvoerende afdeling of persoon.

Literatuur

Jenkins H. (2006) ‘Small Business Champions for Corporate Social Responsibility’, Journal of Business Ethics, Vol. 67, pp 241-256.

Marrewijk M. van, Wuisman I, Cleyn W. de, Timmers J, Panapanaan V & Linnanen L (2005) ‘A Phase-wise Development Approach to Business Excellence: Towards an Innovative, Stakeholder-oriented Assessment Tool for Organizational Excellence and CSR’, Journal of Business Ethics, Vol 55, pp 83-98.

Masurel E. (2008) Ondernemen met een maatschappelijke paragraaf, Assen, Van Gorcum bv.

Murillo D. & J.M. Lozano (2006) ‘SMEs and CSR: An Approach to CSR in their Own Words’, Journal of Business Ethics, Vol 67, pp. 227-240.

[1]: Het is natuurlijk mogelijk bepaalde maatregelen in te stellen vanuit het management of een bepaalde afdeling, zonder draagvlak in de rest van de organisatie, maar de kans op blijvend succes wordt daarmee aanzienlijk kleiner. De maatregel wordt gevoeliger voor personeelswisselingen en dergelijke.

[2]: De beperkte term Pets bedacht E. Masurel (p.11) voor een vergeten element in de ‘triple P': dierenwelzijn (de vierde P). Het komt wel voor dat men dierenwelzijn onder Planet schaart, maar verwarring met soortbescherming ligt dan op de loer. Daarom is het plausibel om dierenwelzijn een eigen plek te geven.

‘Likes’ te koop

Het begon te knagen toen op mailplatforms verzoekjes kwamen als: “mijn zoon doet mee aan de Cultuurchallenge Alkmaar, dus ga even op hem stemmen, dan maakt hij een goede kans te winnen”. Ik ben nooit te beroerd mijn medemens te helpen, maar hier voelde ik me toch ongemakkelijk bij. Want wie kon me zeggen of de zoon de beste inzending had?Moest niet de beste winnen, in plaats van degene wiens moeder het actiefst is met stemmen werven? Ik deed er niet aan mee, al gunde ik de moeder en de zoon alle goeds van de wereld.

Vind ik leuk

Op veel sociale media kun je dingen ‘liken’, van grap tot filmpje, van bedrijfsuitje tot behangmotief. Ik vind bijvoorbeeld leuk:

  • dat Lisette Kreischer (Veggie in Pumps/Ecofabulous) bij Vroege Vogels komt
  • een mooi gemaakt filmpje filmpje, al is het reclame
  • de in oude muziek onovertroffen Capilla Flamenca

Ik doe het steeds vaker, het duimpje omhoog aanklikken. Wat kan voor jezelf reden zijn om dat te doen?

  • je spontane positieve gevoel uiten (bijvoorbeeld als kennissen schrijven “wij zijn gisteren getrouwd!”)
  • iets aanbevelen (lekker ijs, een goede dichtbundel, een rake column van Youp)
  • je profileren (aha, zij is iemand die van ruige pop houdt, Radio 1 luistert, bezig is met duurzaamheid)

25 ‘likes’

Ik verkeer in een groep van mensen die zich professioneel met sociale media bezig houden. Die doen regelmatig een beroep op elkaar op een pagina op Facebook te ‘liken’, omdat het systeem pas bij 25 ‘likes’ jouw paginanaam als url vastlegt. Ik ken deze mensen en vertrouw op hun kwaliteiten, dus ik kom graag tegemoet aan hun oproepen. Nu hebben deze mensen ook klanten voor wie ze pagina’s aanmaken. Dus wordt mij verzocht om een tandhygiënist, een loodgieter, een exporteur van tulpen en een yogacentrum te ‘liken’. Ik weet niet of ik die wel allemaal wil ‘liken’. Ik weet niet of de tandhygiënist een redelijk tarief vraagt, de loodgieter lekkages adequaat verhelpt, de exporteur van tulpen duurzaam werkt (kan volgens mij niet) en het yogacentrum geen enge sekte herbergt. Ik kan niet ‘liken’ wat ik niet ken. Dus doe ik niet mee.

Devaluatie

Ik bracht dit ter sprake in een bijeenkomst van de Social media Managers, maar vond weinig weerklank. Niemand verplichtte mij om iets te ‘liken’, en de meesten deden het zelf graag, om elkaar te helpen. Er werd zelfs gerept van het belonen van ‘likers’ met een vergoeding. Dan zijn ‘likes’ dus te koop.

Elkaar helpen is goed, mee eens, maar we moeten ook oppassen dat het verschijnsel ‘liken’ niet devalueert tot waarde nul. Het behoudt alleen zijn waarde als het oprecht is, en minstens gebaseerd op een eigen positieve ervaring of informatie uit zeer betrouwbare bron. Ik laat me ook beïnvloeden door beoordelingen van anderen, en hoop dan dat die oprecht zijn, en niet voortkomen uit een grote familie- en vriendenkring die uit liefde voor de naaste bereid is een smerige afhaalmaaltijd aan te bevelen als een culinair hoogtepunt.

So Right So Smart So Good

Ik was bij de Duurzame Verbinding, wat dan weer een initiatief bleek van 7 Days of Inspiration, en waar de film So Right So Smart vertoond werd. Een Amerikaanse tranentrekker over een duurzame toekomst, maar welja, hij werkte ook bij mij, ik was geroerd.

Dit komt niet goed

Het meest geraakt was ik toen de mensen van tapijttegelgigant Interface Flor hadden bedacht dat ze dat weekje over duurzaamheid voor het hele middenkader wel eens konden houden in het meest luxueuze en decadente hotel ter wereld. Toen de duurzaamheidsgoeroes die het project begeleidden als denktank dit hoorden, hieven ze de handen ten hemel. Maar alles was al geregeld en betaald. Er was niets meer aan te doen. Het is zo’n moment in een film waarop je denkt: dit komt niet goed.

Van de nood een deugd maken

Maar ik rekende buiten de waard: de denktank. Die maakte van de nood een deugd. Het hotel werd benaderd en men bekonkelde gezamenlijk een snood plan: tijden het verblijf zouden de managers van Interface Flor het hotel duurzaam maken. Dat werd hun opdracht, hun ‘workshop’. Ze moesten oplossingen bedenken en die ter plekke implementeren. Elke dag zouden energieverbruik, waterverbruik en meer ecoposten geteld en gepresenteerd worden. De deelnemers zagen de tellers teruglopen en konden zo direct ervaren wat duurzaamheid doet. Zij waren van hun stuk gebracht op zo’n Amerikaanse manier, met veel omhelzingen en natte ogen, maar ik voelde het ook in mijn buik. Het leek of ter plekke, tussen de hete bubbelbaden en de designrestaurants, de wereld gered werd van de ondergang.

Zak geld

Ik hoef niet te benadrukken dat er geld was, veel geld. Een bedrijf dat een van de duurste hotels kan afhuren voor een grote groep managers voor – hoe lang was het, een week? – en het hotel zover kan krijgen dat het ter plekke gaat reorganiseren en verbouwen, moet een aardig zak geld meebrengen. Maar het dient gezegd: zowel het hotel als Interface Flor zelf zou vanaf die week ook heel wat besparen. Het vuur van de duurzaamheid was aangewakkerd en verspreidde zich snel over de werkvloer. Iedereen stond in de stand van meedenken en meedoen.

Je moet het meemaken

Ik heb nog vaak teruggedacht aan mijn ontroering en vooral over wat die betekent voor mijn dagelijkse leven. Ik ben ZZP, en werk en leef al ongelofelijk duurzaam (werkhoek in huiskamer, zonne-energie, trein en fiets, vegetarisch…). Als communicatieadviseur voor maatschappelijk verantwoord ondernemen probeer ik bedrijven over de streep te trekken om mee te doen en er open over te communiceren, en dat gaat niet altijd gemakkelijk. In elk bedrijf is er wel iemand die inziet dat het anders moet, maar hoe krijgt die persoon de rest mee? Soms lukt dat goed, soms ook helemaal niet. Interface Flor had het geluk dat de directeur een visionair was. En hij kreeg de rest mee door beleving. Mijn moest meemaken wat duurzaamheid doet. En dat werkte. Weer een bron van inspiratie voor mijn eigen werk. Bedankt Duurzame Verbinding!

Ik ben het niet, Gerda!

Ik interviewde Gerda Verburg voor de Dierenbescherming, over diervriendelijk consumeren. Het gesprek ging als vanzelf ook richting duurzaamheid. “We gooien allemaal een vijfde van het voedsel dat we kopen weg,“ zei ze. “Je denkt, ‘dat ben ik niet’, maar ja hoor, dat ben je wel. We doen het allemaal.” Ze ging haar leven beteren.

In de trein terug uit Den Haag vroeg ik me af of ik het écht was. Nee, ik was het niet. Ik was niet alleen behoorlijk milieubewust, maar ook nog eens heel zuunnug (je raadt al waar mijn geboortegrond ligt). Elk restje eten gebruik ik de volgende dag als uitgangspunt voor de maaltijd. Een halve schep soep is een heerlijk lunchhapje. Een paar aardappelen en een restje rode kool maken een mooi stamppotje. Ik doe ook erg mijn best om niet te veel klaar te maken. Op is op. We blijven er slank bij.

Weggooien doe je gewoon niet. Ik richt mijn huis in met meubels die anderen niet meer kunnen gebruiken. Het bed waarin ik zelf ben geboren, heb ik laten verlengen voor mijn snelgroeiende zoon. Toen hij nog verder doorgroeide werd het logeerbed. De stoelen waarop ik als peuter aan tafel zat te kleuren zijn naar mij toe gekomen. Ze waren enkele jaren daarvoor nog netjes opnieuw bekleed door mijn al even zuunnuhe vader. Mosgroen. Heel mooi vind ik de kleur niet, maar met olijfgroene placemats en dieppaarse servetten en kaarsen erbij staat het ook wel weer apart. Zo maak je van de nood een deugd! Kleren die ik beu ben bewaar ik in dozen tot ze tien jaar later weer hip zijn of vintage. Laatste stond ik bij de afvalbak met de piepschuim vormen waarin mijn printer was afgeleverd. Ik kreeg het niet over mijn hart ze weg te gooien. Ik heb er grappige fotolijstjes van gemaakt. Je kunt alles nuttig hergebruiken, alles.

Steun en toeverlaat in mijn voedselbewaarmanie is een set van 36 in elkaar passende kunststof doch eeuwig te gebruiken koelkastdoosjes. In het kleinste exemplaar kun je niet veel meer dan één rond koekje of een doorgesneden asperge bewaren. Laatst vond ik er eentje naast het halfje volkoren in mijn bescheiden vriesvak. In het minuscule bakje zat een bodempje opgevroren lichtbruine massa.

Ik heb me suf gepiekerd wat dit kon zijn. Het rook kruidig. Wat had ik niet willen weggooien, maar ook niet direct kunnen gebruiken? Ik ging alle lichtbruine goedjes na die ik wel eens had gemaakt. Een saus? Ik maak zelden andere sauzen dan pinda- of pastasaus, en daar rook het niet naar. Een smeersel voor op toastjes? Om dat zelf te maken ben ik te lui. Een vulling voor deegflapjes? Die maak ik altijd direct op door wat extra flapjes te vouwen. Kortom, het was een raadsel en bleef een raadsel.

Ik heb het bakje nog een week in de vriezer laten staan, want om te weten wat het was moest ik het spul ontdooien, maar als het ontdooid was moest ik het ook gebruiken, en hoe kon ik nu iets in het menu inplannen waarvan ik niet wist wat het was? Uiteindelijk heb ik het in een weekend waarin alle eetplannen nog open stonden, ontdooid en voorzichtig geproefd, zoals dieren doen, met het tipje van de tong, om daarna even af te wachten of je er niet dood van neervalt. Nog wist ik niet wat het was. Het smaakte niet lekker. Ik dacht aan de kok die probeert helemaal blanco te proeven om originele combineerideeën op te doen. Zouden ze dat geblinddoekt doen? Misschien durf je dan chocoladeaardappelpuree te verzinnen, of cayennepeperzuurtjes, omdat je een smaak proeft zonder vooroordeel. Ook ik proefde volledig blanco, maar ik kon niets lekkers verzinnen met deze eigenaardige smaak.

Toen heb ik een grote stap genomen: ik heb het restje weggegooid, zomaar, bof, in de gft-emmer . Dat dat geluid tot me tot op de dag van vandaag achtervolgt lijkt me afdoende bewijs om te kunnen zeggen: ik ben het niet, Gerda, echt niet.

De duurzaamheid van criminaliteit en hiv

Duurzaamheid is een problematisch begip. De term was even nuttig om een breed publiek te attenderen op het verschijnsel op = op, maar het is een verre van absolute waarde.

Duurzaamheid betekent letterlijk dat iets duurt, en dan bij voorkeur lang duurt, doordat het niet op raakt maar steeds weer aangevuld wordt. En inderdaad: veel moeten wij zien te behouden, maar toch niet alles per definitie?

Je hoort nooit iemand over de duurzaamheid van criminaliteit, of van orkanen, of van hiv, en terecht, merkt Dale Jamieson slim op in zijn boek Morality’s Progress. Volgens Jamieson kun je net zo goed zeggen dat we last hebben van behoudzucht tegen beter weten in. Zoals we ook de dood niet kunnen accepteren, kunnen we de eindigheid van ecosystemen niet goed verdragen.

Waarom zou het voortbestaan van iets per definitie goed zijn? Nee, enkel het voortbestaan van het goede is goed, lijkt mij. Welzijn van mens en dier is goed. Daarom denk ik dat je je bij alles af moet vragen: is het goed voor het welzijn van mensen en dier, voor het welzijn van wezens die welzijn kunnen ervaren. Alleen duurzaamheid die daarin voorziet is het verdedigen waard. 

(Dit blog is gebaseerd op een passage uit het boek ‘Dieren en wij – hun welzijn, onze ethiek’ dat begin oktober uitkomt bij A3 boeken.)